De Lancering van Kees’ Carrière

De zolder waar Kees zijn gigantische archief opslaat.

In de derde van onze blogreeks over de geschiedenis van Kees de Groot en PLANETART treffen Lars en Kees – allebei met een mild slaaptekort onder de leden – elkaar op de alsmaar voller rakende zolder van the man himself. Op de vloer in zwarte stift staat een rits aan worden gekalkt die een idee moeten geven van wat er toen onder de mensen leefde: ‘’sekslijn’’, ‘’kraken’’, ‘’Basquiat’’, ‘’Commodore 64’’. Na wat opstartproblemen en verwilderde pogingen tot oriëntatie in dit doolhof aan jaartallen en oude kunstvoorwerpen is het tijd om het verhaal voort te zetten dat tussen de zovele foto’s, posters en krantenartikelen door deze zolder zweeft. Kees en Lars bespreken even waar ze het de vorige keer ook alweer over hadden gehad. De laatste keer dat zij elkaar trokken ging het over de derde van zijn drie inspiratiebronnen, namelijk de onstuimige politiek van die tijd. ‘’Dat klopt Lars, maar onthoud dat al deze inspiraties eigenlijk mijn hele leven lang bepalend waren’’, aldus Kees. Ook in dit blog zal er dus weer heel wat politiek, technologie en kunstgeschiedenis langskomen. Laten we het geschiedenis van Kees’ succesvolle carrière beginnen na zijn afstuderen. Dit lijkt zeker weer een succesverhaal te worden. Met een expositie in het Stedelijk Museum van Amsterdam, persoonlijke ontmoetingen met kunstenaars die nu nog steeds wereldberoemd zijn en een satelliet in de wachtkamer van koningin Wilhelmina moet het als autonoom kunstenaar wel goed komen zou je denken.

Lars, nog slaperig: Dus Kees, waren we ook alweer…?

Kees, dan maar het voortouw nemend: Wij zijn aangeland in het jaar 1983 en toen deed ik mijn eindexamen op de AKI, terwijl ik al in Amsterdam woonde. Daar had ik een pand gekraakt met een paar medestudenten in Amsterdam-Oost. Dit was een voormalig bordeel, opvangcentrum voor daklozen en tehuis voor alcoholisten. Het was dus ook niet voor niets een totaal uitgeleefde bende. Gelegen aan de Eerste Oosterparkstraat 152 en tegenover de nachtingang van het Onze Lieve Vrouwengasthuis was er altijd iets te zien. Er waren iedere nacht wel schietpartijen, louche figuren en nog vele andere wildewesten toestanden. Mijn afstudeerproject was toen nog verre van af, maar ik kwam al snel in het underground kunstcircuit van Amsterdam terecht. Een paar vrienden van me hadden recht achter het Paleis op de Dam de voormalige NRC-drukkerij gekraakt (in die tijd nog het Algemeen Handelsblad). Dit waren toen nog enkel vrienden en collega’s, maar later al snel belangrijke figuren. Denk aan Peter Gielen, de oprichter van de Roxy, Bart Domburg, helaas niet meer onder ons, Peter Klashorst, en ook Sandra Derks. Zij waren allemaal generatiegenoten die nu ieder voor zich een succesvolle kunstenaarscarrière op hun naam hebben staan. Ik deelde mijn atelier daar met al deze inspirerende mensen en dat wierp zijn vruchten. Ik kon flink uitpakken doordat ik via de AKI nog steeds toegang had tot de nieuwste portable videosets en onze succesvolle galerie MonteVideo mij daarnaast een heel assortiment aan Sony monitoren tot mijn beschikking stelde.

Filmbeeld van een rapportage over de opening van MonteVideo

‘’Mijn werk was dynamisch, kleurrijk, surrealistisch, beweeglijk. Het zoog je naar binnen en liet geen denkruimte over. Het was wild en ging hand in hand met luide, noisy muziek.’’

Misschien eerst even een paar woorden over MonteVideo (dit is nu Het Nederlands Instituut voor Mediakunst), omdat die galerie ontzettend veel voor mij betekende. MonteVideo is in 1978 opgericht door Rene Coelho en was een internationale galerie voor mediakunst waar ik mee samenwerkte. Dit was voor mij de perfecte plek, niet alleen omdat ik daar de kans kreeg om naast gerenommeerde kunstenaars te exposeren, maar ook vooral door de gehele gedachte achter deze galerie, namelijk het onderzoeken van de consequenties van technologie op het kunstwerk en het artistieke proces. Een werkwijze die ik constant toepaste en één van de redenen dat ik altijd mediakunstenaar ben geweest.

Archiefmateriaal van het maakproces van Mauhro's Wijk

In ieder geval, ik kreeg erg veel aandacht en publiciteit. Dat leidde tot een uitnodiging van het Stedelijk Museum Amsterdam om te exposeren op een grote tentoonstelling met als thema internationale videokunst. De tentoonstelling heette The Luminous Image en bestond uit een keur van internationale topkunstenaars waar ik mij als broekie opeens tussenin bevond. Ik kreeg een geheel eigen ruimte en mocht daar een installatie in zetten. Deze installatie, getiteld Mauhro’s Wijk naar de locatie waar een groot deel van de beelden is geproduceerd, was een tweeluik bestaande uit uiteenlopend beeldmateriaal dat werd vergezeld door grote sculpturale elementen. Ik ben hiervoor naar Drenthe afgereisd om onderzoek te doen naar de Hunebedbouwers van ongeveer 3000 voor Christus. Met een auto vol props en portable videosets heb ik daar een tijdje in de bossen gewoond. Door interventies in de natuur te doen ontstond er een mix van natuurlijke omgeving en gekke objecten die ik met mijn videoapparatuur vastlegde. Dit materiaal werd afgewisseld met historische beelden en stukjes van verschillende blockbusters over de Romeinen. Zo ontstond het werk Mauhro’s Wijk. Tijdens het vormgeven van de tentoonstelling werd al snel duidelijk dat dit iets anders was dan het werk van de exposerende kunstenaars die toen al naam hadden gemaakt. Ik was daar bijna de enige videokunstenaar die beïnvloed werd door de new wave, punk en het neo-expressionisme van mijn tijd. De rest was concept art zoals wel groot geworden onder Joseph Bueys. Dit zorgde voor een interessant geheel.

Mauhro's Wijk, tentoongesteld in Het Stedelijk Museum Amsterdam

Concept art a la Beuys kenmerkte zich door een nadruk op het idee erachter, vaak met weinig aandacht voor de esthetiek van een werk. Het vraagt de toeschouwer om naar binnen te kijken en eigenlijk nog maar weinig op het werk te letten. Mijn werk daarentegen was dynamisch, kleurrijk, surrealistisch, beweeglijk. Het zoog je naar binnen en liet geen denkruimte over. Het was wild en ging hand in hand met luide, noisy muziek. Sommige beeldkunst die ik maakte mixte ik met zulke muziek en de stap naar videoclips was daarmee al snel gezet. Audio Mutant was één van de eerste cassettes waar ik een videoclip voor maakte. Die clip ging als een speer de wereld over. De eerste echte videoclips kwamen pas een hele tijd later langs op de kabeltelevisie of op MTV.

‘’Hij kwam aankloppen bij mijn atelier in ons kraakpand met de vraag ‘of we nog drugs hadden?’. Natuurlijk hadden we nog wel ergens iets om te blowen maar het werd al vrij snel duidelijk dat dat niet genoeg zou zijn.''

Bij iedere tentoonstelling in een white gallery hoort natuurlijk ook een chique diner geheel op kosten van desbetreffende galerie. Ik vond mezelf dus al heel snel aan tafel, kletsende met Bill Viola, Robert Wilson, Brian Eno, Nan Hoover, Marcel Odenbach en Tony Oursler. Van die laatste had toen nog niemand gehoord. Nu is Oursler een beroemde videokunstenaar met tentoonstellingen over de hele wereld. Iets minder glorieus was de avond waarop hij kwam aankloppen bij mijn atelier in ons kraakpand met de vraag ‘of we nog drugs hadden?’. Natuurlijk hadden we nog wel ergens iets om te blowen maar het werd al vrij snel duidelijk dat dat het niet zou doen voor Tony. Gelukkig had hij zelf nog wat coke vanuit Amerika meegesmokkeld en dat heeft hem een erg leuke avond met ons bezorgd. Dergelijke ervaringen waren dagelijkse kost voor mij in die tijd en ik kijk dan ook nog altijd met veel geluk terug op die bijzondere carrièrestart.

Het gaat Kees dus voor de wind en het lijkt alleen maar beter te kunnen worden. In het volgende blog hebben we het over draaiende meteoren in de Koninklijke Wachtkamer, een item op het NOS-journaal waar Kees volledig doorheen is geslapen, en de val van het communisme.

nl_NLDutch